Bedragen x € 1 miljoen | Begroot | Gerealiseerd | Verschil (min is minder besteed dan begroot) |
|---|---|---|---|
Loonkosten | 142,6 | 136 | -6,6 |
Inhuur | 23,7 | 25 | 1,3 |
Overig | 7,2 | 5,7 | -1,5 |
Totaal capaciteitskosten | 173,5 | 166,7 | -6,8 |
* een positief verschil ten opzichte van de actuele begroting is voordelig | |||
** Een bedrag voor lasten is nadelig (N)/ Een bedrag voor baten voordelig (V)/ Stortingen aan reserves: afdragen van geld aan de reserves (+/+ bedrag is nadelig (N))/ Onttrekkingen aan reserves: het opnemen van geld uit de reserves (-/- bedrag is voordelig (V)) | |||
Aan capaciteitskosten is € 6,8 miljoen minder uitgegeven dan begroot.
Vanuit de omvang van het werkpakket proberen we zo goed mogelijk te bepalen welke capaciteit we nodig hebben en welk deel daarvan structureel nodig is en welk deel we flexibel willen opvangen door middel van inhuur. Op het moment dat er medewerkers de provincie verlaten, ontstaan er vacatures die bijna nooit per direct weer worden ingevuld. Bij bepaalde specialistische functies kan de werving zo moeilijk zijn dat er tijdelijk wordt ingehuurd. Dit betekent dat in de realisatie de werkelijke loonkosten altijd lager zullen zijn dan de begroting. Daarnaast speelt bij de loonkosten mee dat medewerkers verlof kunnen kopen ten laste van hun IKB (Individueel Keuze Budget). Wij begroten het IKB (grotendeels) als onderdeel van het loon. Als een medewerker ervoor kiest om het IKB niet als onderdeel van het loon te laten uitbetalen, maar het om te zetten in verlofrechten leidt dit tot lagere loonkosten dan begroot. Conform de uitspraken van de commissie BBV leiden de extra verlofrechten tot een storting in de Voorziening verlofsparen. Deze storting vindt u niet terug in bovenstaand overzicht, omdat deze storting rechtstreeks ten laste van Hoofdstuk 7 in de programmabegroting wordt gebracht.
Beide componenten leiden tot een onderbesteding op de loonkosten.
Bij de overige kosten speelt vooral een onderbesteding op de opleidingskosten. Daarbij geldt dat medewerkers niet al hun rechten van hun PBDI (Persoonlijk Budget Duurzame Inzetbaarheid) gebruiken.
Bedragen x € 1 miljoen | Begroting € | % | Realisatie € | % | Verschil % |
|---|---|---|---|---|---|
1. Bestuur | 11,4 | 6,6% | 11 | 6,6% | 0,0% |
2. Klimaat en gezonde leefomgeving | 9,6 | 5,5% | 9,5 | 5,7% | -0,2% |
3. Ruimte en Wonen | 10,9 | 6,3% | 10,8 | 6,5% | -0,2% |
4. Bereikbaarheid | 34,3 | 19,8% | 31,1 | 18,7% | 1,1% |
5. Natuur en landelijk gebied | 13,9 | 8,0% | 13,6 | 8,2% | -0,2% |
6. Economie, leefbaarheid en cultuur | 6,5 | 3,8% | 6,5 | 3,9% | -0,1% |
7. Overzicht Algemene middelen en organisatie | 73,8 | 42,6% | 72,8 | 43,7% | -1,1% |
Investeringen | 13 | 7,5% | 11,3 | 6,8% | 0,7% |
Totaal | 173,5 | 100% | 166,7 | 100% | 0% |
Om de capaciteitskosten te kunnen toerekenen aan de programma’s en investeringen, is halverwege het jaar een inventarisatie gemaakt van de programma’s waaraan medewerkers van de provincie werken. Deze inventarisatie leidde tot de verdeelpercentages die in de tweede begrotingswijziging van 2025 door PS zijn vastgesteld. Na de tweede begrotingswijziging zijn nog programmabudgetten ingezet ten behoeve van capaciteit. Deze mutaties zijn de oorzaak van de wijziging van de verdeelpercentages in de laatste begrotingswijziging 2025.
De begrote verdeelpercentages uit de door u vastgestelde laatste begrotingswijziging worden gebruikt voor het toerekenen van de capaciteitskosten aan de programma’s en investeringen in de jaarrekening. Het gerealiseerde percentage wijkt daarbij iets af van het begrote percentage. Dit komt doordat onderliggend het percentage verfijnd wordt naar een afzonderlijk percentage voor de vier hoofd-organisatorische eenheden. Omdat niet alle organisatorische eenheden in gelijke mate werken aan alle programma’s, ontstaan kleine getalsmatige afwijkingen van de totaalpercentages. Dit uit zich met name bij het programma bereikbaarheid en bij investeringen als gevolg van het feit dat de onderbesteding in loonkosten vooral zit bij functies die werken aan het programma bereikbaarheid en aan investeringsprojecten.
Voor de bepaling van personele overhead wordt uitgegaan van de functies, zoals genoemd in de (per 2025 herziene) notitie Overhead van de commissie BBV. Deze lijst is aangevuld met een aantal interne toelichtingen in lijn met de BBV-nota, zoals het uitgangspunt dat geen overhead wordt toegerekend aan investeringsbudgetten. Dit is ook opgenomen in de financiële verordening. Daarnaast is in 2025 een gewijzigde nota van BBV van toepassing. Deze nota had financiële gevolgen, omdat inkoop- en communicatieadviseurs niet meer aan het specifieke taakveld of investering mochten worden toegerekend, maar onder overhead moeten vallen. In de kaderbrief 2026 en de tweede begrotingswijziging 2025 zijn deze financiële gevolgen opgenomen en door PS geaccordeerd. Dit is nu op gelijke wijze ook in de jaarrekening verwerkt.
